Filips mond hangt te los.
Tanden als rottend hout.
Hij ademt ontbinding uit
en iets in de lucht sterft.
“Het komt wel goed.”,
fluisteren ze.
Maar goed is een dode hond,
te lang in de zomerzon.
Opgezwollen.
Barstensvol.
Bidden heeft geen zin;
geen kat die luistert.
Filip telt nogmaals zijn geld,
maar de wierrook
verbergt de stank niet meer.
Plots duiken ze naar beneden;
grote, vleugelige schaduwen.
Geen engelen,
geen genade.
Deze gieren, hongerig doch geduldig;
ze pikken…
tot zijn lach verdwijnt;
tot alleen kaak overblijft.
En zelfs dan,
grijnst Filip nog.
Reactie plaatsen
Reacties